30 June 2010
Tweede Kamer wil uitspraak splitsingswet aanvechten
De uitspraak van het gerechtshof in Den Haag dat de splitsing van energiebedrijven niet verplicht mag worden afgedwongen, doet minister Maria van der Hoeven (Economische Zaken, CDA) opspringen en rennen, onder luide aanmoedigingskreten van de gehele Tweede Kamer. Die haast is geboden, want niet alleen het zogenoemde 'groepsverbod' is door de rechterlijke uitspraak van de baan, ook een aantal zaken die met dit verbod samenhing is niet meer geldig. De belangrijkste daarvan is waarschijnlijk de vermogenseis bij splitsing. Kamer en minister bespraken deze woensdag hoe de ontstane gaten het beste kunnen worden gedicht.
De vermogenseis of solvabiliteitseis was een wens van de Tweede Kamer. Onder invloed van de kredietcrisis zagen de parlementariƫrs van CDA, PVDA, Christenunie en SP het gebeuren dat de productie- en leveringsbedrijven (PLB's) bij splitsing er met het geld vandoor zouden gaan, de netwerkbedrijven daarbij berooid achterlatend. Om dat te voorkomen werd voorgesteld om het eigen vermogen gelijk te verdelen onder de netbedrijven en de PLB's, in plaats van de tot dan toe geldende verdeling van 30%-70%. Dat ging Van der Hoeven iets te ver, maar er kwam een mooi compromis uit: netwerkbedrijven zouden 40% van het eigen vermogen mee moeten krijgen, de PLB's zouden met 60% tevreden moeten zijn. Bij de goedkeuring van de diverse splitsingsplannen verplichte de bewindsvrouw de energiebedrijven en de aandeelhouders tot het nemen van extra maatregelen om de vermogenspositie van de netwerkbedrijven zeker te stellen.
Maar dit gold allemaal enkel bij verplichte splitsing. Nu de rechter heeft geoordeeld dat die splitsing niet verplicht mag worden, zijn de aanvullende voorwaarden ook niet verplicht. Met andere woorden: als Eneco vandaag vrijwillig wil splitsen, dan mag dat met een vermogensverdeling van 30% voor het netbedrijf en 70% voor de commerciƫle tak. Hetzelfde geldt voor Delta -samen met Eneco is dit het enige niet-gesplitste bedrijf. Van der Hoeven bevestigde deze mogelijkheid tegenover Energeia. Kamer en minister zien dat scenario helemaal niet zitten, en vandaar het kunst- en vliegwerk van Van der Hoeven: dit gat moet zo snel mogelijk gedicht.
Van der Hoeven is daarom van plan om het Besluit financieel beheer aan te passen, waarin de vermogenseis geregeld is. De aanpassing moet ertoe leiden dat ook bij vrijwillige splitsing van een energiebedrijf een vermogenseis gesteld kan worden van 40% eigen vermogen voor het netbedrijf. De bewindsvrouw weet zich hierbij unaniem gesteund door de Tweede Kamer, van SP tot PVV en alle partijen ertussen. Toch vindt Van der Hoeven dat ze met deze stap "haar nek uitsteekt": de haalbaarheid is onzeker.
Van der Hoeven zei deze woensdag dat de aanpassing volgende week in de laatste ministerraadvergadering voor het zomerreces al behandeld zal worden, net als haar andere belangrijke wijziging die maandag in een brief werd aangekondigd: een apart wetsvoorstel voor het privatiseringsverbod.
Van der Hoeven reageert met deze laatste stap op het vonnis van de rechter. De minister legt de gedachtengang van het Haagse gerechtshof als volgt uit. Het privatiseringsverbod -oftewel: de eis dat netwerkbedrijven in publieke handen moeten blijven- is volgens de rechter "niet absoluut". De rechter bedoelt daar volgens de minister mee dat de wetgeving te gemakkelijk te wijzigen is: het ligt niet verankerd in harde wetgeving, maar is veel meer geregeld via zogenoemde algemene maatregelen van bestuur. De rechter vond ondersteuning voor dit niet-absolute karakter, doordat 'middelijk aandeelhouderschap' is toegestaan: dat betekent dat de aandelen in een netbeheerder wel in handen mogen zijn van een ander bedrijf dat zelf weer in publieke handen is, dus indirect publiek aandeelhouderschap. En vanwege dit niet-absolute karakter van het privatiseringsverbod, moest volgens de rechter het groepsverbod -dus de verplichte splitsing- getoetst worden aan de vrijheid van verkeer van kapitaal.
De bewindsvrouw is het oneens met deze gedachtengang, zij vindt dat het privatiseringsverbod wel degelijk absoluut is. Iets is verboden of iets is dat niet, vindt Van der Hoeven, dus dat privatisering een beetje verboden zou zijn is zoiets als een beetje zwanger zijn. Zodra dat absolute karakter een feit is, volgt volgens van der Hoeven dat het groepsverbod niet meer hoeft te worden afgewogen tegen het vrije verkeer van kapitaal, en dan is de minister waar ze wezen wil. Dat lijkt de belangrijkste munitie die Van der Hoeven in stelling brengt voor de Hoge Raad. Maar om die woorden kracht bij te zetten en om het signaal af te geven dat het privatiseringsverbod toch echt wel absoluut bedoeld is, komt de CDA-minister nog met een aparte wetswijziging.
Aan het middelijk aandeelhouderschap wil Van der Hoeven niet tornen. Zodra is weerlegd dat het privatiseringsverbod niet-absoluut is, is dat volgens haar ook niet meer nodig. Het indirecte aandeelhouderschap is voor lagere overheden een goede manier om met de risico's van aandeelhouderschap om te gaan, vindt de minister, en die mogelijkheid houdt ze dus liever in stand.
Ondanks het rennen van Van der Hoeven kost nieuwe of gewijzigde wetgeving tijd. Als volgende week de ministerraad ja zegt tegen de voorstellen van de demissionaire minister, wordt de tekst eerst naar de Raad van State gestuurd, die om een spoedadvies wordt gevraagd. Daarna volgt behandeling in de Tweede Kamer, die gezien de unanieme steun wellicht weinig tijd nodig heeft om in te stemmen met de wijzigingen. Dan moet ook de Eerste kamer zich nog buigen over de materie. Van der Hoeven hoopt dat de Senaat kan instemmen met de wijzigingen voordat de Hoge Raad zich uitspreekt. De Hoge Raad kan die nieuwe wetgeving dan meewegen in het definitieve besluit.
Bron: www.energeia.nl